De twee levens van performancekunst, door Pieter T'Jonck.
De tweede golf: 2000 - ?
Vergeten raakten ze echter nooit. Vanaf 2000 legden grote instellingen zoals MoMA NY, Tate Modern London of Centre Pompidou er steeds meer belangstelling voor aan de dag. Ze gingen daarnaast actief op zoek naar nieuwe performances. Hun oog viel daarbij geregeld op choreografen en dansers. Het waren immers, vooral in West-Europa en zeker in België, de hoogdagen van de ‘conceptuele’ dans. Conceptuele dans is net zo’n containerbegrip als performance. De verschillen tussen het werk van Boris Charmatz, Jérôme Bel of Meg Stuart zijn even groot als de gelijkenissen. Wat ze gemeen hebben is wel dat ze radicaal breken met verwachtingen rond choreografie en dans en het publiek daarbij niet ongemoeid laten.
Conceptuele dans bouwt zo voort op de experimenten van de Judson Group, choreografen die in het spoor van Halprin eind jaren 1960, vaak in samenwerking met beeldend kunstenaars als Robert Rauschenberg of Robert Morris, de parameters van dans op hun kop zetten. Het zijn vragen en praktijken die zo dicht aansluiten bij wat er leeft in hedendaagse beeldende kunst dat het verschil soms hoogstens gradueel is.
Ook een meer formeel georiënteerde choreografe als Anne Teresa De Keersmaeker ontwikkelde in het zog daarvan radicale vormexperimenten die, vaak in aangepaste vorm, in topmusea als MoMA NY of Tate Modern stonden. Work/Travail/Arbeid (2015), de museale versie van de choreografie Vortex Temporum, was zelfs de meest bezochte tentoonstelling ooit in WIELS Brussel.
Toch is er een cruciaal verschil tussen de huidige en de eerste performancegolf. Toen keerden kunstenaars het museum de rug toe. Vandaag daarentegen leiden musea en kunsthallen de dans. Kunstenaars blijken maar al te verguld met die institutionele aandacht, al is hun werk daarom niet minder kritisch. Ze beseffen echter dat ze vandaag geen kans maken om gehoord en gezien te worden als ze zich niet op één of andere manier inschrijven in het hedendaagse kunstbestel. Musea zijn bovendien niet langer de stoffige, behoudsgezinde instellingen van toen: ze ontpopten zich tot dynamische spelers in een stedelijke context die inzet op evenementen en ervaringen.
Leuven kon die evolutie vanop de eerste rij volgen door Playground, een festival dat dit jaar voor de twintigste keer plaatsvindt. Als je het programma van die twintig edities op playgroundfestival.be doorploegt, merk je dat het festival telkens weer een boeiende mix bood van internationaal erkende kunstenaars en ‘beginners’. Dit kleine festival in een kleine stad speelt door zijn allianties met grote spelers in het buitenland en door slimme keuzes ver boven zijn gewicht in een kritische niche in een steeds complexere, mondiale kunstwereld.
Pieter T’Jonck
