Een bijzondere tentoonstelling in M: 'Albast'
Albast

‘Sint-Annaretabel’, Robert Colyns de Nole II, 1610, albast, collectie M Leuven, foto: artinflanders.be, Dominique Provost
Dit najaar loopt er een wel heel bijzondere tentoonstelling in M: aan de hand van meer dan 130 werken vertellen we de geschiedenis van albast in Europa, van het prille begin in de jaren 1300 tot het orgelpunt in de 17de eeuw. Een must voor alle kunstliefhebbers, niet alleen vanwege de vele unieke stukken, maar ook vanwege het nieuwe licht dat de tentoonstelling en het achterliggende onderzoek op de Europese kunstgeschiedenis werpen.

‘Sint-Annaretabel’, Robert Colyns de Nole II, 1610, albast, collectie M Leuven, foto: artinflanders.be, Dominique Provost
‘Albast’ is het geesteskind van Marjan Debaene van M en Sophie Jugie van het Musée du Louvre – en meteen ook de eerste grote samenwerking tussen de twee musea.
Sophie: “Ik ben directeur van het Département des Sculptures, waar ik me met name bezighoud met de beeldhouwkunst uit de 15de en 16de eeuw. Albast – een bijzondere steensoort – was in die periode een veelgebruikt materiaal, maar we merkten dat er leemtes in onze kennis zaten. Toen het grafmonument van Filips de Stoute in Dijon gerestaureerd werd, bleek er bijvoorbeeld geen enkele manier te zijn om na te gaan waar het albast vandaan kwam. Bij sommige onderdelen wisten we zelfs niet zeker of ze nu van marmer of van albast waren! We hadden in onze collectie ook een albasten hoofd waarvan we vermoedden dat het hoorde bij een beeld van de heilige Augustinus uit het klooster van Brou. Maar er waren toch twijfels – het hoofd was redelijk klein in verhouding tot het lichaam.”
“Om zulke vragen te beantwoorden hebben we in 2010 een onderzoeksprogramma opgestart over het gebruik van albast in Frankrijk van de 14de tot de 16de eeuw, de grote bloeiperiode zeg maar. We vonden het vooral belangrijk de afkomst van albast te kunnen nagaan. Dat zou ons in staat stellen werken beter te situeren.”
“We zijn in zee gegaan met het Laboratoire de recherche des monuments historiques. Dat hoort bij het Franse ministerie van cultuur en heeft een heel competente geologieafdeling. De onderzoekers daar hebben een isotopenanalyse uitgewerkt, samen met de collega’s van het Bureau des recherches géologiques et minières. Zo’n analyse bestond al voor marmer. We hebben eerst werken aangepakt die goed gedocumenteerd waren, en waarvan we de afkomst van het albast al kenden. Daarmee hebben we de isotopenanalyse getest, en die bleek uiterst betrouwbaar te zijn.”
“Daarna hebben we het programma verbreed en zijn we werken beginnen te analyseren in heel Frankrijk. We organiseerden studiedagen en publiceerden onze resultaten. Met klassiek kunsthistorisch onderzoek konden we bijvoorbeeld aantonen dat dat hoofd wel degelijk van de heilige Augustinus was, en de isotopenanalyse wees uit dat het albast uit het Jura-gebergte kwam. Algauw trokken we de aandacht van andere collega’s uit heel Europa. We legden zelf ook contacten, onder meer met Marjan. Het was ons niet ontgaan dat zij formidabel werk heeft gedaan over beeldhouwwerk op het einde van de middeleeuwen. We zagen elkaar op congressen, ik ben bij haar op bezoek geweest, we hebben van gedachten gewisseld, en op een dag heeft ze me gezegd: ‘Tiens, ik zou een tentoonstelling over albast willen organiseren.’ Ik heb meteen geantwoord: ‘Excellente idée!’ (lacht)”
Nieuwe verhalen
Marjan (Afdelingshoofd Oude Kunst bij M): “In 2017 hadden we samen al een congres over middeleeuwse sculptuur georganiseerd in Parijs. Daar was gebleken dat we erg makkelijk samenwerken - niet alleen praten over, maar ook organiseren. Bovendien had het team van Sophie al die boeiende resultaten, en als je een tentoonstelling maakt is het altijd goed als je nieuwe verhalen te vertellen hebt. Dit onderzoek verdient het onder de aandacht gebracht te worden, niet alleen in gespecialiseerde tijdschriften en congressen, maar ook in een tentoonstelling voor het grote publiek.”
Sophie: “Al hopen we natuurlijk ook dat ‘Albast’ de aandacht van andere onderzoekers zal trekken. We hebben de voorbije jaren moeten vaststellen dat veel werken verkeerd geïdentificeerd waren in museumcatalogi of databanken. Het verschil tussen albast en marmer is vaak moeilijk te zien. De redenering is dan: het is wit, het is gepolijst – het zal wel marmer zijn. Als onderzoekers de publicatie over deze tentoonstelling onder ogen krijgen, zullen ze misschien met een wat andere blik gaan kijken. Wie weet welke dingen komen er zo nog naar boven.”
Marjan: “Op de tentoonstelling is zo’n werk te zien: de heilige Catharina uit Kortrijk, een Vlaams topstuk. Er bestond al heel lang twijfel of het nu uit albast of marmer gemaakt is. In de middeleeuwen gebruikten ze die termen door elkaar, wat het natuurlijk allemaal nog wat verwarrender maakt. We wilden het beeld eerst tonen als illustratie van die twijfel, maar toen dachten we: weet je wat, we laten het onderzoeken, dan weten we het voor eens en altijd. Het bleek van Engels albast te zijn – echt wel een belangrijk resultaat.”
Goudwaarde
Sophie: “Wat ook erg belangrijk is geweest voor de tentoonstelling: het ARDS-netwerk (Association for Research and Documentation on medieval and renaissance Sculpture) dat M heeft opgezet. In heel Noord-Europa kennen ze M echt als het museum dat onderzoekers verenigt. Dat hebben we in het Louvre niet, hoor. Natuurlijk zijn er contacten met de collega’s in Brussel, Amsterdam, Frankfurt… Maar een echt netwerk kan je dat toch niet noemen. Marjan plukt de vruchten van wat ze jaren geleden gezaaid heeft. We hadden de tentoonstelling nooit kunnen opzetten zonder al die onderzoekers en conservators die verbonden zijn door ARDS.”
Marjan: “Ons wetenschappelijk comité was ook van goudwaarde. Het was ons van in het begin duidelijk dat we een tentoonstelling wilden houden over albast in Europa, niet alleen maar in Frankrijk of de Lage Landen. Gelukkig hebben we experts uit heel Europa bereid gevonden om ons bij te staan. Tijdens de voorbereidende vergaderingen deden die voortdurend suggesties over stukken die we konden tonen. Onze Spaanse expert bijvoorbeeld, professor Carmen Morte Garcia van de universiteit van Zaragoza: ik denk dat zij letterlijk alle albasten stukken in Spanje kent, weet waar ze worden bewaard en wie er verantwoordelijk voor is. Door al die hulp is het een echt grote tentoonstelling kunnen worden: 130 stukken, samen goed voor 350 jaar kunstgeschiedenis – van de jaren 1300 tot de jaren 1600. We palmen zowat de hele eerste verdieping van het museum in. Er zullen veel unieke werken te zien zijn, maar we gaan ook in op het isotopenonderzoek en op het materiaal zelf.”

Naar een model van Jean Cousin, Grafmonument van Philippe Chabot, ca. 1543-1570, albast, Musée du Louvre, Parijs © RMN-Grand Palais (Musée du Louvre) / Stéphane Maréchalle

Kariatiden uit de voormalige sacramentstoren van het Celestijnenklooster in Heverlee: twee putti, Cornelis II Floris, 1560-1563, foto: artinflanders.be, Dominique Provost
Warme steen
Sophie: “En we leggen uit hoe albast Europa veroverd heeft. In het begin was het een heel exclusief materiaal, dat aan het Franse en Engelse hof gebruikt werd als alternatief voor marmer. Geleidelijk aan sijpelde het door naar andere kringen: kerken en kloosters, de geestelijkheid, de aristocratie… We tonen bijvoorbeeld een groot grafmonument uit de verzameling van het Louvre. Het is in het midden van de zestiende eeuw gemaakt voor admiraal Chabot – geen royalty, dus. Albast is helemaal ingeburgerd op dat moment, en doordat het redelijk makkelijk verkrijgbaar is, kan ook de aristocratie zulke spectaculaire kunstwerken bestellen.”
Marjan: “Albast werd erg vaak gebruikt voor grafmonumenten, en voor afbeeldingen die verband houden met de dood. Ik vind de ‘Allégorie de la mort’ op de tentoonstelling een heel interessant stuk. Erg morbide: een ontbindend lijk eigenlijk, een skelet met hier en daar nog wat repen vergaan vlees.”
Sophie: “Dat werk was erg bekend en geliefd in Parijs. Het komt van het Cimetière des innocents, een inmiddels verdwenen begraafplaats. Albast maakt het mogelijk om heel gedetailleerd te werken, en dus al die lugubere elementen realistisch weer te geven. En mensen legden vroeger ook de link tussen albast en de menselijke huid, het menselijk lichaam: het ziet er een beetje rozig uit, en het voelt warm als je het aanraakt, niet zo koud als marmer. Het is ook fragiel: als je het buiten zet, wordt het snel aangetast – een parallel met ontbinding. Een geschikt materiaal voor grafmonumenten, dus.”

Ile-de-France, ‘Allegorie van de Dood’, (‘La Mort Saint Innocent’), ca. 1530, albast, Musée du Louvre, Parijs © RMN-Grand Palais (Musée du Louvre) / Pierre Philibert
Engeland
Sophie: “Albast is ook een tijdlang hét materiaal geweest voor retabels, de grote kunstwerken die je boven altaars ziet. In de middeleeuwen werden die vooral uit hout gesneden - de Lage Landen stonden er wijd en zijd voor bekend. Maar albast heeft die houten altaarstukken geleidelijk aan verdrongen, en overal in Europa ontstonden productiecentra voor albasten retabels: in Engeland, in Bordeaux, in Polen, in Mechelen… Meestal bestonden ze uit drie, vijf of zeven panelen. Op de tentoonstelling kan je een compleet exemplaar uit Engeland gaan bekijken. Dat is uitzonderlijk, want in de 19e eeuw zijn heel veel panelen apart verkocht aan kunstliefhebbers – dat was toen een rage op de kunstmarkt.”
Marjan: “We hebben een hele zaal gewijd aan retabels. Er hangt een erg mooi werk van Jean of Jehan Mone (1480-1554), meester-kunstenaar van Karel V en een van de eerste renaissancebeeldhouwers van de Lage Landen. Hij werkte in Mechelen, dat tegen het eind van de 16e eeuw een belangrijk productiecentrum voor albastsculptuur was geworden. Ze maakten er onder meer kleine reliëfs voor privégebruik - devotiestukken voor rijke burgers. Je zou bijna kunnen spreken van massaproductie, maar wel allemaal werk van hoge kwaliteit.”

‘Martelarenretabel’, ca. 1450-1500, albast in latere houten omlijsting, The Phoebus Foundation, Antwerpen © Phoebus Foundation Antwerpen
Klonterig
Marjan: “In de eerste en de laatste ruimte van de tentoonstelling maken we ook een kleine excursie naar hedendaagse kunst - want albast wordt nog altijd gebruikt. We willen daar geen compleet overzicht van geven, want dat zou een heel andere tentoonstelling zijn. Maar we hebben wel enkele stukken opgenomen van Sofie Muller, een kunstenaar uit Gent die gefascineerd is door albast. In de eerste ruimte zie je zes psychologische portretten, zoals zij het noemt - zes koppen waarvoor ze de imperfecties van het materiaal heeft gebruikt. Albast wordt meestal gevonden als een soort knollen. Aan de buitenkant zien die er ruw, oneven en klonterig uit. En je weet nooit wat je aan de binnenkant aantreft: luchtbellen, verkleuringen, een scheur misschien… In de middeleeuwen gooiden ze zo’n knol dan weg, maar Sofie gebruikt de imperfecties. Ze weet nooit hoe het eindresultaat eruit zal zien, tot het af is.”
“Speciaal voor de laatste ruimte heeft ze een nieuw werk gemaakt, een antwoord op een absoluut topstuk uit onze eigen streek én ons eigen museum: het retabel van de heilige Anna uit het Celestijnenklooster in Heverlee. Een erg indrukwekkend werk: het bestaat uit veertien bas-reliëfs en is meer dan zes meter hoog. De heilige Anna is de moeder van Maria, en dus de grootmoeder van Jezus. De dochter van Sofie heet toevallig ook Anna, en daarom heeft ze albasten beelden gemaakt van een soort Sint-Anna-ten-Drieën: haar dochter, zijzelf en haar moeder.”
Sophie: “Het retabel van de heilige Anna stamt uit 1610, net na de hoogdagen van albast. Er breekt een nieuwe periode aan in de kunstgeschiedenis: kunstenaars nemen het over van ambachtslieden, en schilderkunst wordt de belangrijkste kunstvorm. Retabels worden nu vooral geschilderd, grafmonumenten worden zeldzamer, en marmer begint albast te verdringen. Het retabel van de heilige Anna is een van de laatste hoogtepunten van de albastproductie, toch zeker in de Lage Landen. En het is ook een lokaal stuk. Echt perfect om de tentoonstelling mee af te sluiten.”
De tentoonstelling werd mede mogelijk gemaakt dankzij de steun van M-LIFE en Bank Delen.
Wat is albast?
Albast is een doorgaans witte steen die erg op marmer lijkt. Het is wel aanzienlijk zachter, en daardoor makkelijker te bewerken. Er zijn redelijk wat vindplaatsen in Europa, ook ten noorden van de Alpen. Je kon er dus makkelijker aan komen dan aan marmer: dat moest vanuit Italië via de Middellandse Zee en de Atlantische kust naar Noord-Europa worden gebracht.
Albast heeft wel één groot nadeel: het lost op in water, en is dus niet geschikt voor beelden en kunstwerken die buiten staan.

'Trinitas Terrestris', Sofie Muller, ANNA /001–004/22, 2022, albast, privécollectie Gent © Sofie Muller, foto: Cedric Verhelst
Isotopenanalyse, zegt u?
Om duidelijk te maken wat isotopenanalyse is, moeten we even terug naar de lessen scheikunde in de middelbare school. Een atoom bestaat uit een kern van protonen en neutronen, met daaromheen een wolk van elektronen. Het aantal protonen bepaalt om welk element het gaat: met twee protonen heb je bijvoorbeeld helium, met 29 heb je koper. Het aantal neutronen in de kern kan echter verschillen. Koper komt bijvoorbeeld voor met 34 en 36 neutronen. Atomen met hetzelfde aantal protonen maar een verschillend aantal neutronen noemen we isotopen. De verhouding tussen verschillende isotopen van hetzelfde element verschilt meestal van vindplaats tot vindplaats. In principe kan je met een analyse van goedgekozen isotopen dus nagaan waar iets vandaan komt.
De onderzoekers van het Franse Laboratoire de recherche des monuments historiques slaagden erin om, met een isotopenanalyse van de scheikundige elementen zuurstof, zwavel en strontium, albast heel precies aan een vindplaats toe te wijzen.