Valérie Mannaerts, Paul Robbrecht and Samuel Saelemakers in gesprek
Paul: “Opvallend is het proces waarin het publiek meegroeit met het werk. Gebouwen zoals de Stadshal in Gent (i.s.m. Marie-José Van Hee architecten) en het Rubensplein in Knokke, met de sculpturen van Franz West, werden tijdens de bouw zwaar gecontesteerd, maar zijn inmiddels omarmd als sociale plekken. Angst voor het nieuwe in de stad hoort erbij, maar vaak wordt het uiteindelijk geaccepteerd. Goede kunst begint persoonlijk, maar krijgt doorheen het proces een publiekelijk leven en wordt op een bepaald niveau gemeengoed.”
Samuel: “Ik zou zelfs durven zeggen dat hoe minder een kunstwerk gericht is op onmiddellijke publieke waardering, hoe groter die waardering kan worden op lange termijn. Bij te sterk geïntegreerde kunst bestaat het risico dat ze niet meer als kunst wordt gelezen, en dus ook niet meer als zodanig wordt gewaardeerd.”
Valérie: “Ik probeer altijd alles te geven aan een werk, zodat het sterk genoeg is om zelfstandig te functioneren. Dat hoort bij de verantwoordelijkheid van de kunstenaar. Zodra het werk krachtig genoeg is, kan het een gesprek aangaan met de omgeving. Het is een wederkerig vertrouwen tussen mij, het werk en de plek waar het leeft.”
Samuel: “Dat is een mooie noot om mee af te sluiten. Een sterk werk wordt als een jongvolwassene de wereld in gestuurd om zijn eigen weg te vinden – en redt het meestal wel. Dat zien we ook bij collectiestukken in Antwerpen: geef het tijd, laat het kunstwerk en het publiek elkaar leren kennen. Daar is vertrouwen voor nodig, maar ook een grondig doorlopen proces, zodat het werk uiteindelijk zelf kan beginnen te spreken.”
Opgetekend door Febe Lamiroy

© Elisa Maenhout voor M Leuven


